In the noise of the world — its judgments, its mistakes, its relentless systems — something fragile still glows in the background.
You see it in a baby who smiles from across a room.
In a toddler waving from a pushchair as the bus goes by.
On summer mornings, you see groups of children in youth movement uniforms, bursting with curiosity and joy.
They do not know the weight of the world yet — and in their unknowing, they remind us of something deeper than politics, law, or power.
The glow of life, in its most natural state.
It is for them — for their eyes, their openness, their unspoiled trust — that we must ask what kind of world we are building.
And what we choose to look away from.
Omwille van kinderogen
In het lawaai van de wereld — haar oordelen, haar fouten, haar onverbiddelijke systemen — blijft iets kwetsbaars op de achtergrond gloeien.
Je ziet het in een baby die glimlacht vanop afstand.
In een peuter die zwaait vanuit de kinderwagen als de bus passeert.
Op zomerochtenden trekken groepen kinderen in het uniform van de jeugdbeweging vrolijk en verwachtingsvol voorbij.
Ze kennen het gewicht van de wereld nog niet — en juist in dat niet-weten herinneren ze ons aan iets dat dieper gaat dan politiek, recht of macht.
De gloed van het leven, in zijn meest natuurlijke vorm.
Het is voor hen — voor hun ogen, hun openheid, hun ongerepte vertrouwen — dat we ons moeten afvragen welk soort wereld we aan het bouwen zijn.
En waar we liever van wegkijken.